woensdag 25 februari 2015

Veronesi - La forza del passato

Deze roman had kunnen uitmonden in een politieroman of een psychologisch drama. Het wordt echter een komisch-grotesk verhaal. Heb je het uit, dan besef je terugkijkend dat het groteske er vanaf het eerste moment al inzat. Kinderboekenschrijver Gianni belandt in een taxi. De chauffeur blijkt meer van zijn leven te weten. Gianni ziet bij hem een pistool en springt verschrikt uit de auto, waarbij hij zijn tas in verwarring achterlaat.

Vele verwikkelingen volgen, maar vooral ook de enorme innerlijke monologen van Gianni. Hij doet zijn best de draadjes bij elkaar te knopen van een wereld die onder zijn neus uit elkaar valt. De chauffeur komt hem zijn tas terugbrengen en vertelt hem dat zijn vader bij de KGB heeft gewerkt.

Er volgen nog meer schokken. Gianni heeft de prijs die hij kreeg voor zijn kinderboeken geschonken aan een vrouw die de euthanasie op haar zoon wil voorkomen. Hij ontmoet de vrouw en ziet dat ook zij een pistool in haar tas heeft. Zijn vrouw schrijft hem een brief waarin ze bekent dat ze een verhouding met een ander heeft gehad en haar lot in zijn handen legt. Hij krijgt zelf een ongeluk met zijn brommer en is een week in coma.

En tot slot had ook ik te maken met een geestelijke mist waarin ik de touwtjes bij elkaar moest zien te trekken. Ik las de roman in het Italiaans en kon niet alles volgen. Ik las door met de stem van een vriendin in mijn achterhoofd: 'Blijven doorlezen!'

Zo heb ik me dankzij mij gebrekkige kennis van het Italiaans beter kunnen verplaatsen in de gedachtewereld van Gianni. Langzaam kom ik bij uit mijn coma en heb goede kans om geleidelijk ook in het Italiaans bij mijn positieven te komen. Best jammer eigenlijk.

Afbeeldingsresultaat voor taxi rome

dinsdag 24 februari 2015

Rothko, niets en niemand

Is de beste prijzing van Rothko niet de eindeloze stoet oude vrouwen die voor hem langs trekt? Het moet een omhelzing zijn, een ontmoeting van een-op-een. Alleen oude vrouwen zijn daartoe in staat, denk ik, om zich te wurmen door die dichte massa, iedereen uit te schakelen en de woorden van Rothko te redden.

De woorden van Rothko die zouden staan tussen de schilderijen en de toeschouwers. Woorden waaraan hij zich niet meer zou hebben willen bezondigen, nadat hij Nietzsches wijsheden eerst wilde omzetten in kunstbeschouwing en vervolgens in kunst. Maar wel kunst als filosofie. Filosoferen met de kwast, met het materiaal. Zo weinig mogelijk tussen jou en het doek.

Het resultaat moet zijn: huilen! Huilen zoals Rothko zelf deed. Huilen, religieus of seculier. Omhelsd zijn en opgenomen in het enorme schilderij. Huilen in stille meditatie.

Wij, Inez en ik, voelden ons er (nog?) niet toe in staat, dat huilen. Je wurmen door de massa, met zijn twintigen staan turen naar teksten, teksten dat Rothko hoopt dat de bezoekers van het chique restaurant de eetlust vergaat als ze de kastanjebruine sombere schilderijen aan de muren zien. Het was ons iets te nadrukkelijk.

Maar ook voor ons had Rothko iets in petto. Zo ineens was er een schilderij waar de kleur was weggeborgen achter iets dat net wel of net geen kleur was. We stonden voor een van de nissen. De boodschap was: hier kun je even afgezonderd van de massa staan kicken met je Mark Rothko! En zowaar bleef ik even staan. Ik mompelde wat tegen Inez, zij mompelde wat terug, we liepen weg.

Ons gemompel was misschien wel die (non-)kleur die de kleuren verborg zodat ze hun werk konden doen. Zo blijkt de oude meester toch wel een truc in zijn mouw te hebben waarmee hij ons - misschien ooit nog - voor zich weet te winnen, wellicht als we ooit oude vrouwen zullen zijn.

Maar jongens toch! Gun het Mark Rothko om weg te lopen van zijn gezin, een op een te staan met zijn Fra Angelico, te huilen. Gun het hem, een op een, alleen met zijn geheim. In een klap wordt ons het zicht ontnomen op de schilderijen en op de man zelf. Voor het schilderij schuift de man met zijn drama, voor de man schuift het schilderij, vooral dat laatste rode met die lichte witte smalle horizontale opening in het midden. Dat schilderij hangt dan weer naast Victory Boogie Woogie van Mondriaan zodat we wat Rothko betreft noch de man noch zijn schilderij zien.


Afbeeldingsresultaat voor rothko commercial

zaterdag 14 februari 2015

Bastaarden welkom op voorwaarden - Price & Thonemann

Alweer vijf jaar geleden blies Olivier Hekster in de Volkskrant de loftrompet over Price & Thonemann met hun De geboorte van het klassieke Europa. Vijf sterren! Bijna de helft van zijn prijzing! gaat over de grijze tekstblokken waarin de schrijvers linken leggen met latere tijden.

Heksters prijzing verdient zeker wel prijzing, maar is wel behoorlijk kort, alsof goede wijn geen krans behoeft, of hooguit een kleine. Niet dat ik hier de schade probeer in te halen, maar ik eis van mezelf een uitleg waarom het boek goed is, en het geen verspilde tijd is om me na mijn studieboek Naerebout nogmaals te verdiepen in die twee millennia. Als leraar red ik me ook uitstekend zonder dit soort boeken, leerlingen hebben buiten het vak geschiedenis maar een splintertje nodig om de teksten te begrijpen. Geschiedenis verklaart heel weinig, het compliceert de zaken meestal.

Maar het schept wel verantwoordelijkheid. Ik hield in gedachten dat ik het boek had gekregen van een gepensioneerd collega Nederlands. Maar dat maakt me nog geen historicus. Ik vroeg dus bij het kopieerapparaat aan mijn deskundige collega geschiedenis of dit boek wel goed was. Jazeker, zei hij, het is alleen een beetje traditioneel. Afijn, voor mij was het meeste dat erin stond nieuw, en het boek had me al zoveel diensten bewezen dat ik het wilde belonen met het uit te lezen. En ik werd zeker niet teleurgesteld. Aan het eind werd ik zelfs getracteerd op een uitswinger, wanneer Augustinus in de spotlights wordt gezet.

Augustinus?? In een serieus geschiedenisboek van stropdasmannetjes uit Oxford??
Ja, want in hoofdstuk 10 van zijn Confessiones gaat deze Augustinus uitvoerig in op het thema herinnering. En dat is wat onze Oxfordmannetjes ook interesseert. Herinnering is niet ons voorrecht. Het bestond al sinds jaar en dag. Herinnering is niet onze beslissing om te graven en de potjes op een rijtje te zetten. Het is ook de beslissing of ontdekking dat die potjes zelf dragers van herinnering zijn. En zo holt de lezer van ontdekking naar ontdekking. Elke alinea van dit boek had ook een hoofdstuk kunnen zijn. Het is voornamelijk het tempo dat de stijl van deze schrijvers markeert. Natuurlijk, je kunt opscheppen over de verdienste van opgraving zus en zo. Maar beter is het om die opgraving achteloos in een bijzin te vermelden in het verhaal dat jij vertelt, en nog beter is het om te vertellen dat jij je verhaal hebt gegapt van wat die opgraving zelf wil vertellen.

Voor ik het wist had ik mijn argwaan jegens de archeologie opgegeven. Maar vervolgens moest ik weer wennen aan de serieuze manier waarop schrijvers als Thucydides of later Tacitus werden behandeld. Niet heel veel anders dan mij mij op school, maar wel verfrissend omdat ze worden ingeschakeld in een speurtocht anno 2010 naar wat er nu echt gebeurd is. En passant wordt ook het gebied even uitgebreid. Hoezo aurea aetas? Die wordt eventjes snel doorgeraasd. Hoezo Rome en Athene? We springen naar alle hoeken van het Romeinse Imperium en daarbuiten, naar India en zelfs Vietnam en eventjes China. De Bijbel, nog zoiets. Daarvan wist ik natuurlijk toevallig wel hoezeer de herinnering der schrijvers maatgevend was voor het zogenaamde verslag der gebeurtenissen.

De term die bij mij uiteindelijk blijft hangen is verwantschap. Wil je je als stad of regio in de kijker spelen van het machtscentrum, dan moet je een verhaal vertellen over je verwantschap met de helden uit de vroegste tijden van het rijk. Heet je stam toevallig 'Remi' (het latere Reims) dan ben je natuurlijk verwant aan Remus, en ben je dikke vrienden met de keizer.
In de Bijbel begon het ook zo, met Genesis en de Toledoth. Of liever: daar werd ook zo teruggekeken op het begin.

Europa, het is gewoon een te gekke familie waarin bastaarden vrolijk worden opgenomen op voorwaarde dat ze een leuk verhaal vertellen over hun afkomst. Gefaked of niet, als het maar klinkt, en als er maar een bereidheid uit spreekt graag mee te doen. Joden pasten binnen dit verhaal niet, maar intern regelden ze hun zaakjes net zo.

Over de verhouding tussen deze twee verwantschapsverhalen moet weer een ander boek gaan, wat extra gecompliceerd is vanwege het Christendom en de Islam die ertussendoor kwamen fietsen.

Afbeeldingsresultaat voor reims cathedral

zondag 8 februari 2015

Gluckauf

Deze film dient te worden geprezen, wat mij betreft vooral vanwege het reeds geprezen contrast tussen sociale desolaatheid en mooie natuur, maar ook vanwege de acteerprestaties van Bart Slegers en Vincent van der Valk. Mooi is ook dat het dialect zo consequent is ingezet. Wel is het effect hiervan eerder een eenheid van taal dan een reële weerspiegeling van hoe het dialect momenteel in Heerlen wordt gesproken. Daar is toch veel meer diversiteit tussen de invloeden en de generaties. Vergeet niet dat het echte Heerlens sowieso een taal is die niet zo lang geleden maar door een handjevol mensen werd gesproken. Heerlen werd pas een dichtbevolkte stad met de groei van de mijnen.

Nu zijn die mijnen alweer veertig jaar dicht. Bekend zijn de leegloop en de werkeloosheid die zich vertalen in de aardverschuiving van CDA naar SP en PVV. Toch schuilt er iets van een performatieve tegenspraak in een film die deze ruïnes zo mooi in beeld weet te brengen. Ongetwijfeld is de film nauwelijks een Heerlense productie te noemen, maar hij straalt wel waardigheid uit, een waardigheid die in al zijn geconcentreerdheid ook geloofwaardig is.

Voor het script hebben de makers de Haarlemse schrijver Gustaaf Peek ingehuurd. Dat verklaart wellicht de beknopte taal, die zeker niet de aard van de indirecte, breedsprakige en impliciet formulerende Limburger weerspiegelt. Maar dat geeft hier minder, omdat het plot zich uitsluitend in het criminele circuit afspeelt. De regisseur had daar vriendjes zitten, dus die geloven we dan maar graag.

Waardigheid, heb ik gezegd, en daarmee de last op me geladen deze te redden uit de move die het plot domineert, de geleidelijke groei van het gezag van zoon Jeffrey over zijn vader Lei. Dat ervaart der Lei als vernederend. Pas tegen het eind van de film begrijpen we waarom. Helaas kan ik die ontknoping op deze plaats wegens spoilergevaar niet uit de doeken doen, en ook in de film zelf blijft de onthulling geborgen in het halfduister. Wel wordt uit mijn suggestie hopelijk al begrijpelijk dat de waardigheid eerder schuilt in een zoektocht naar uitdrukkingsvormen daarvan, en naar acceptatie. Maar ook als die verloren gaan is er altijd nog de hoop op een erfgenaam die - goed Grieks - gered wordt uit de klauwen van het fatum.

Het kan haast geen toeval zijn dat zogenaamd op de achtergrond, maar in werkelijkheid eerder in het centrum van het web, een vrouw aan de touwtjes trekt. Zij regisseert de uitdrukkingsvorm van de waardigheid, de acceptatie en de hoop op de erfgenaam. Voor der Lei is dit uitermate complicerend, want hij dreigt uiteindelijk zelf bijna een vrouw te worden. Maar is dat niet all in the game? Je kunt nog zo hard knokken, nog zo'n dikke envelop scoren, je blijft afhankelijk van acceptatie, hoe dan ook afhankelijk.

Niemand die dat beter wist dan mijn vader Lei, die als betaalmeester van Oranje Nassau I de opdracht kreeg de kinderbijslag van de Spaanse mijnwerkers rechtstreeks naar de moeders in het thuisland te sturen. En op betaaldag stonden de vrouwen van de stoere mijnwerkers voor de deur. Niet onbegrijpelijk aan het begin van een weg die tot in Brunssum 60 café's telde.


http://www.1limburg.nl/sites/default/files/public/styles/mediabox_detail/public/media-youtube/pYA9An4N_es.jpg?itok=xjr7xPrA

dinsdag 3 februari 2015

Venushaar - Sjisjkin

Rare titel hè?, zei ik tegen TOA Arnold in de personeelskamer van mijn school, toen hij me dit boek zag lezen. Ja, zei hij, het is natuurlijk het haar van Venus maar ook dat haar wat vrouwen op die plek hebben! Pas op p.523 werd de titel uitgelegd. Het gaat om de plant Adiantum capillus veneris, die in Rome in het wild groeit, maar in Moskou een kamerplantje is, dat zorg en aandacht behoeft.

Metaforisch tot en met dus. Want zou dat niet voor een bepaalde levenservaring staan, een ervaring die je in Rome op elke straathoek tegenkomt, maar die je in Moskou met de loep moet zoeken? Desnoods importeren? Hoe dan ook werd me het boek geschonken door mijn minnares, onder de kerstboom, omdat ik van een zekere afstand evengoed de reis van Moskou naar Rome probeer te volbrengen.

Welnu, daarover gaat deze roman ten volle, alleen al omdat de auteur zelf de reis heeft gemaakt, waarbij Zwitserland als tussenstation fungeerde, waar Sjisjkin als tolk voor de immigratiedienst werkte. Daaruit resulteert in Venushaar een bijzonder soort Q&A, over vele pagina's volgehouden, waarbij beide rollen worden verwisseld en oneindig uitgesponnen en verward. Een ervaring die absoluut absurdistisch en avantgardistisch is. Maar waarom niet tevens realistisch? Van dat laatste overtuigt Sjisjkin je terloops, alsof de politieke tragedies hem eigenlijk niet interesseren, alsof hij ze louter gebruikt als aanleiding voor zijn literaturnost'.

In de loop van de roman wordt de gevoelige westerse lezer zodanig getrakteerd op enkele shockerende scènes dat hij wordt wakkergeschud en aanvoelt dat een Rus, wie het ook is, heel wat met zich meedraagt als hij westwaarts komt. Het grootste gewicht is misschien wel dat hij zich voortdurend moet verantwoorden. Waarom zoekt hij het betere leven? En is dat betere leven niet, zoals de film Nostalghia  ooit suggereerde, in laatste instantie en in zijn meest geslaagde vorm een flauwe afspiegeling van de ware religieuze Russische geest, met name voor de balling in Italië?

Bij Sjisjkins verhaal moest ik eerder aan Tsjaikovski denken, die Italië beleefde als een idylle, waar hij zich kon storten in een roeservaring van geluk, waar alles onmiddellijk betekenis had. Alles was zo spontaan en onmiddellijk dat het zonder overgangen werd aaneengeregen. Lees je de Rome-scènes van Sjisjkin, dan krijg je datzelfde gevoel. Rome is alle tijden ineen, verdicht tot geconcentreerde ervaring, die alleen in capricieuze taal kan worden bezworen. Die taal moet tegelijk avantgarde zijn, antiek en romantisch. Maar Sjisjkin is ook een architect. Hij differentieert zijn scènerieën, hij geeft ze ruimte. Honderd bladzijden lang raak je verzonken in een briefroman tijdens de Eerste Wereldoorlog, daarna word je plots weer teruggegooid in een Molly Bloomachtige monologue intérieur. De lezer die het preciezer wil weten verwijs ik naar de uitgebreide recensie van Will Evans.

Af en toe klonk er iets op als een grondgedachte die zowel boodschap als zelftoepassing, toepassing van de boodschap op het boek zelf, is. Wij zijn geneigd te denken dat het ongepast is bij het vele lijden in de wereld romans te schrijven en te zingen. Deze roman zegt dat het haast een plicht wordt om dat te doen, niet ondanks maar juist vanwege dat lijden. De zangkunst en literatuur worden zodoende niets minder dan politieke of eerder ethisch-kosmologische actie. Genieten zul je, want het evenwicht moet worden hersteld.

Verheerlijking van Rome? Nee, van het venuskruid dat nog eeuwiger is dan de eeuwige stad: 'Ik groeide hier al lang vóór julie Eeuwige Stad en zal hier ook erna groeien. Jullie mogen naar hartenlust schilderijen en beelden maken van die bebaarde figuren in lange gewaden die de onbevlekte ontvangenis hebben verzonnen. Ik zal door al jullie doeken heen groeien en zal door al jullie marmer heen breken. Ik ben op elke ruïne op het Forum en onder elke baksteen onder de flox. En waar ik niet te zien ben, daar zijn mijn sporen. Waar ik niet ben, daar ben ik geweest en zal ik zijn. Ik ben daar waar jullie zijn.'

Onkruid dus, dat venushaar. Via de taal woekert het verder in de roman. Als je hem leest, vergeet dan niet, zoals Evans adviseert, om je aantekeningenschrift ernaast te houden. Of wacht tot de roman een Joyciaanse status heeft bereikt en lees dan de aantekeningen bij de tekst: 'Hier ligt een mooie taak weggelegd voor toekomstige literatuurhistorici.'

zondag 25 januari 2015

De heer van de heer van de tuin

Je kunt je op goed geluk laten meenemen naar films. Films die mijn vrienden zonder omlijnd criterium hebben geselecteerd, A Blast, De tuin en La creazione di significato. En dan blijkt er langzaam maar zeker een gemeenschappelijke noemer in die films te zitten. Laten we zeggen een masterplot. Ik openbaar hem hier, en hoop maar dat de lezer accepteert dat ik hier en daar wat bijsnoei.

Een oude man loopt door een paradijs. Hij beheert het. Hij is er volmaakt gelukkig. Het paradijs bestaat harmonieus naast de moderne wereld. De heer kan vertrekken, soms komt er bezoek, soms zet de heer de radio aan die moderne stemmen uitbraakt. Je zou ook de film kunnen zien als een tuin waarin we op bezoek komen, waarin we even mogen proeven van het ritme en de frisheid van de tuin. Maar de heer van de tuin is niet de machtigste. Er is altijd, vaak in het verborgene, een heer van de heer van de tuin. Hij beschikt vanuit de moderne wereld over die tuin. Hij kan bijvoorbeeld besluiten de tuin in de fik te steken om er projecten te ontwikkelen. Hij kan de tuin gebruiken als branding strategy. Hij kan de tuin opkopen en de heer onteigenen. Vaak loopt er rond die tuin ook een vrouw rond. Zij laat zich inschakelen door de heer van de heer van de tuin, om te filmen of om de fik te regelen. Dergelijke vrouwen hebben oog voor gezichten. Ze kunnen in een hoge rots de vorm van een gezicht zien, ze zeggen tegen hun zoon dat hij de heer van de tuin moet gaan filmen, of ze zetten het gezicht van de heer centraal in de tuin. Zonder dergelijke vrouwen zou er geen film van de tuin bestaan.

De tuin is gefilmd op buitenplaats Dordwijk. Er lopen mannen rond met de naam Augustus op hun rug, medewerkers van het restaurant Villa Augustus. Ze herinneren wellicht onbewust aan de dichter Vergilius die door zijn vriend Augustus werd ingeschakeld om de lof te zingen van het rijk. We zouden - bedenk ik me - het hele oeuvre van Vergilius kunnen lezen tegen de achtergrond van de masterplot. In Bucolica vinden we de herders, dieren, gezangen en de subtiele verwijzingen naar de politiek. In Georgica vinden we de aanwijzingen voor de cultivering van het land volgens de wetten der seizoenen. In feite hebben we hier te maken met een poëtisch masterplot, een hier en daar ambivalente prijzing van het imperium. En in Aeneis verlaat de held de brandende stad Troje om, gemaand door het gezicht van zijn moeder Venus, in het Westen een nieuwe stad te stichten. In dit magnum opus lijkt de tuin helemaal afwezig. Zo afwezig zelfs dat je je erover verbaast bij deze dichter van boerenafkomst. Het kan dan ook haast niet anders of op cruciale momenten duikt de natuursymboliek op als een houvast om de ontberingen van het zwervende leven te kunnen verdragen:

"Amper had hij dit gezegd of daar verschijnen twee duiven
die uit de hemel dalen; vlak voor zijn ogen strijken ze
neer op een grasveld. De machtige held herkende de vogels,
lievelingsdieren van Venus, zijn moeder, en bidt vol blijdschap:
'Duiven, wees onze gids en leid ons als er een weg is,
vlieg naar de plek in het woud waar de rijke grond wordt beschaduwd
door een kostbare tak. O laat ons, heilige moeder,
bij deze zoektocht niet in de steek.' Na deze bede
volgt hij nauwkeurig de richting die de vogels hem wijzen.
Tijdens het zoeken naar voedsel vliegen zij zover vooruit dat
zij voor de ogen van volgers duidelijk zichtbaar blijven.
Toen de duiven de ingang van de stinkende Orcus bereikten,
vlogen zij snel omhoog en namen vervolgens plaats op
de vurig verlangde plek in een boom met twee soorten bladeren,
waar een vreemde gloed als van goud zich verspreidt door de twijgen.
Zoals bij winterse kou in de bossen maretakken
bloeien met vreemde groei op een boom die hen niet deed ontspruiten,
en met hun geelgroene twijgen de ronde stammen omklemmen,
zo zag het groeisel van goud er uit op de donkere steeneik,
zo ritselde het metalige blad bij een rustige windvlaag.
Prompt grijpt Aeneas de taaie tak, hij breekt hem gretig
los en draagt hem dan naar de woning van de Sibylle."

Ik stel me voor dat Vergilius, de heer van de tuin, deze passage voorleest aan Augustus, de heer van de heer van de tuin. Zijn scepter, een vreemde parasiet in winterse kou.

vrijdag 23 januari 2015

Knausgård - Vader

Het dagboekproza van Knausgård suggereert realisme en neutraliteit. Maar het suggereert ook dat die neutraliteit moet worden veroverd in een eindeloze inspanning. De dingen zijn zichzelf niet genoeg, maar moeten als het ware opnieuw geboren worden, opstijgen uit de taal.

Toch is die noodzaak minder vanzelfsprekend dan het lijkt als je de eerste regels van deze roman leest. "Voor het hart is het leven simpel: het slaat zolang het kan. Dan stopt het." Er lijkt dus op het oog alleen maar iets simpels te gebeuren wanneer de vader van Karl Ove overlijdt. Maar al in deze inleiding krijgt de dood een duistere kant toebedeeld, waarmee hij alles in onze omgeving besmet. Dat gaat zo met alle doden in onze cultuur. Ze moeten worden opgeborgen, liefst in de duistere grond, waarmee de duistere kant van de dood alleen maar wordt benadrukt.

Deze dood moet eerst nog toeslaan bij de vader van de schrijver. Hij had hem immers al zo vaak doodgewenst, ze hadden niets met elkaar te maken, en de schrijver heeft zich ontworsteld aan zijn jeugd waarin zijn vader zo domineerde. Als zijn vader dan toch sterft, blijft Karl Ove eindeloos huilen. Hij is vooral geraakt doordat zijn vader zo in zinloosheid is weggegleden, willens en wetens, zijn leven in feite heeft vergooid. Omdat hij toch zijn zoon is moet de niet-gemeenschappelijkheid als het ware op het leven worden veroverd. De zoon gaat met zijn broer het rommelige huis schoonmaken en ziet af van alcohol.

Weer is, zoals in Liefde, een vrouw de verbindende factor, ditmaal oma, de moeder van de dode. Zij kan niet leven zonder drank, en om haar besluiten Karl Ove en zijn broer dan ook maar een slokje of wat mee te drinken. De drank, die zozeer de destructie symboliseerde, brengt nu ineens de redding. Daarna slaat de ontnuchtering weer toe. Dan zitten we alweer tegen het einde van de roman. Oma symboliseert in een nachtelijke slotscène de verspreiding van de dood door het hele huis. Het poetsen heeft daar uiteindelijk niet tegen geholpen.

Karl Ove besluit voor de tweede keer naar het dode lichaam van zijn vader te gaan kijken. Daarmee wordt de onttovering van de beginzinnen pas echt gewonnen. De dood is niets anders dan het stoppen van het leven. Maar hij zat ook al in het leven, we zijn niet meer dan wat voorwerpen in het heelal.

Je kunt je afvragen waarom alle scènes in dit boek zo uitgebreid zijn. Erg veel over de vader komen we niet te weten, het gaat over de vader, en dan vooral over diens dood, in het leven van Karl Ove. Misschien moeten we de geest van het boek zoeken in de wake, het verblijf bij de dode waarin de overlevenden afscheid van hem nemen. Traditioneel hoort daarbij het lachen om de dode en om jezelf, het voelen van de verwantschap tussen tragedie en komedie.

Maar Knausgård lijkt niet sterk te zijn in schertsachtige communicatie, hij heeft maar een matig talent voor humor. Zet hij dit talent aanvankelijk nog in (in de scène waarin zijn oom hem wil meenemen in de auto, terwijl Karl Ove niet wil worden meegenomen, omdat hij zo zijn bier niet kan meenemen naar het oudjaarsfeestje), later is er alleen nog dunne humor onder de oppervlakte en overheerst de serieuze arbeid. De redding wordt niet gevonden in de menselijke extremen, maar in de neutraliteit der dingen.

De tragedie en komedie worden wel in de buurt gehouden, waarschijnlijk bestaat er geen proza zonder deze krachten. Zo zien we Karl Ove aan een stuk door huilen, maar het krijgt een lachwekkende vorm: "Ooooooooooooo," zei ik, "ooooooooooooo".
Wat na die huilbuien resteert is zoiets als een neutrale bezwering, een bezwering van de dood in het neutrale door middel van uitvoerige, neutrale beschrijvingen.