dinsdag 16 september 2014

Le rouge et le noir

Okee, waarom ik het gelezen heb, dat heeft te maken met e-books, die gratis worden als de auteur lang genoeg dood is. Hij is dan zonder geldclaims en waarschijnlijk ook oninteressant voor het publiek. Terwijl hij tegelijkertijd toch klassiek is, dat wil zeggen, zijn waarde wordt door allen erkend.

Dat legt een grote druk op de herlezer. Hij moet zich bewijzen door te laten zien dat hij het boek heel goed heeft gelezen en dat hij de lezer duidelijk kan maken dat het boek onvermijdelijk is.

Tja, dat gaat mij boven de pet. Laat dat maar over aan de beroepscritici die langzaam verstenen tot beroepswetenschappers.

Ook mogelijk is een prijzing van wat al afdoende geprezen is. Dat heeft iets overbodigs, ik weet het. Maar is niet elke literatuur overbodig omdat hij handelt over overbodige mensen?

Misschien is Julien Sorel wel zo'n overbodig mens. Zoon van een arme timmerman, zich opwerkend naar hogere milieus, maar daar steeds een hinderpaal voor de mannen, omdat hij het aanlegt met hun vrouwen. Of hun vrouwen met hem, dat is niet helemaal duidelijk.

Want ook voor Mathilde, de dochter van de markies, is Julien niet echt een redder, omdat hij a) niet van adel is, en b) niet verliefd op Mathilde. Maar inmiddels is hij wel met haar getrouwd en ligt het lot van haar familie dus in zijn handen.

Is Julien dan wel een redder voor de vrouw van de man bij wie hij eerder in dienst trad, burgemeester Renal? Ja, maar intussen heeft hij haar wel proberen dood te schieten en vlot het pas echt tussen hen wanneer zij hersteld is, hij in de gevangenis zit en zit te wachten op zijn executie.

Stendhals helden zijn op hun best op de vierkante meter, wanneer ze in een kleine ruimte opgesloten zitten en juist daar hun vrijheid ervaren. Dat straalt uit naar Camus' étranger die de geestelijke oefening van Sorel zo'n eeuw later nog eens aandikt, met het paradoxale effect van verschrompeling.... Camus voegt niets wezenlijks meer toe, zo blijkt al bij een eerste, oppervlakkige lezing van Le rouge et le noir.

Waarom zijn overbodige mensen zoals Julien Sorel dan toch waardevol voor ons, eenentwintigste-eeuwers?

Omdat ze weigeren zich neer te leggen bij het slaapverwekkende burgerdom, de bourgeoisie die graag leuke scènes wil zien.

Anders gezegd: wat die burgers slaapverwekkend vinden zou wel eens opwindend en reddend kunnen zijn. Dat is de opdracht van het romaneske vertoog.

En dan stokt mijn verdediging. Want je kunt wel zeggen dat alles draait om de liefde, maar wat moet Mathilde daarmee, als ze doorkrijgt dat haar Julien altijd alleen maar verliefd was op Mme de Renal??
Nee, de advocaat van Julien heeft het zwaar. Hij kwijt zich prima, want ironisch, van zijn taak. Maar daarom moeten we zelf maar raden naar de inzet van Stendhal. Voor we die raden hebben we zelf wellicht al heel wat Sorels geguillotineerd.

woensdag 27 augustus 2014

Augustus van Williams

Het is moeilijk om Augustus te prijzen. Het is immers de keizer van een rijk waar veel wreeds gebeurde, en ondanks de pax augustiana veel oorlog aan de grenzen.
Aan de andere kant is de naam Augustus zelf al een prijzing, ze noemden hem 'de verhevene' ('augustus'), en een prijzing is ook de beslissing van de uitgever om de Nederlandse vertaling in deze maand augustus uit te brengen.

Verheven is echter niet alleen een compliment, er dreigt in een verheven mens altijd een afstand te bestaan tot de nuchtere realiteit. Was dat niet bij uitstek het geval bij de keizer rond het jaar nul, die toch allerlei verboden tegen overspel uitvaardigde, waardoor hij blind werd voor de acties van zijn eigen dochter Julia?

Williams probeert zijn Augustus terug te brengen in diens realiteit door zijn bekende formule van portretten in hun sociale context. Augustus wordt levendig geportretteerd door zijn vrienden die brieven schrijven, signalen uitzenden in een tijd die ze zelf amper begrijpen, en die we zien verglijden volgens de schema's die we zelf op het gymnasium of bij geschiedenisles hebben geleerd. En ook Augustus zelf is bekend vanwege zijn getuigenis aan het eind van zijn leven, waarin hij zegt wat hij allemaal voor de mensheid heeft gedaan.

Williams' verdienste is verder dat hij al deze historische gegevens koppelt aan een taal die verdacht veel lijkt op het Latijnse proza van Augustus' tijd, getekend door beknoptheid en stijlfiguren. En bovenal is zijn verdienste dat hij die gegevens verwerkt tot fictie. De gegevens krijgen een statuur, een gebaar waardoor het lijkt dat ze verzonnen zijn door de romanschrijver. Natuurlijk betekent dit voor een groot deel dat de schrijver dingen kan poneren die lang niet vaststaan, zoals Augustus' overtuiging dat hij Julia's leven heeft gered door haar te verbannen (had hij dat niet gedaan, dan was ze ironischerwijze ter dood veroordeeld volgens de wetten die Augustus zelf afvaardigde). Maar het gaat bij fictie ook om de inkleuring van de historische gegevens, waardoor je het gevoel krijgt dat ze zich afspelen in je eigen tijd en je eigen omgeving, zonder hun Romeinse karakter te verliezen.

Zodoende ga je geloven dat onze tijd zelf Romeins is, dat Augustus een elckerlyck is, of dat hij evenals Julia een aspect van onze persoonlijkheid is.





maandag 4 augustus 2014

Dautzenberg - en dan komen de foto's

Dit boek lag nu al in de bieb en ik besloot het dan ook meteen maar te lenen. Eerst had ik van deze schrijver enkele indringende boeken gelezen, en geprezen. Nu leek me dat dit nieuwe boek ook wel te prijzen was.

Inmiddels ben ik al erg gewend aan de dingetjes van deze schrijver, deze Anton. Hij schrijft meteen in het begin al verhalen die nogal weerzinopwekkend zijn. Maar dat gebaar hoort zozeer bij de literatuur dat de kenners worden geselecteerd en de verhalen verder kunnen met een elite die zichzelf als zodanig kent.

Hier en daar bevreemdt zelfs een terughoudendheid dan weer. Mag je zelfs in de literatuur niet meer een pornoscène verzinnen rond Robert M en kleuters? Is dat dan niet gewoon zelfcensuur van deze schrijver?

De verhalen maken de indruk dat de schrijver steeds doelbewuster afgaat op zijn mislukking, zijn mislukking als schrijver. Het is weliswaar spottend en met licht cynisme, maar zelfs als hij cynisch is, is het met zo'n erkend cynisme dat de toon van de biecht erdoor klinkt. Anton in de biecht. Zo eindigt het boek ook, met de bezwerende biecht dat Anton te laf is voor poëzie bij Ingmar Heytze.

Het eindigt, bijna dan. Want de verhalen zijn ook een poging om in een voorafbepaalde afstand tot de filosofie de variatie van vormen te verbinden aan een vitalistisch ik, een ik dat houdt van vertellen en via dat vertellen het leven blijft vinden in al zijn rijkdom. Mits op voldoende afstand van filosofie en poëzie, zich vastklampend aan het alledaagse, volkse taalgebruik.


zondag 3 augustus 2014

Trojanow - De wereldverzamelaar

Het boek gaat over een expeditieheld, Richard Burton (niet de acteur), die reisde in de negentiende eeuw door India, Arabië en Oost-Afrika. Hij was officier, maar gedroeg zich steeds meer alsof hij een bewoner van de landen was waar hij doorheen trok. Dat maakte hem tot een intrigerend figuur voor ons westerlingen.

Bijzonder aan deze roman is dat de geheimzinnigheid van Burton bijna uitsluitend wordt benaderd door zijn reisgenoten en de bewoners van de landen zelf. Ze verwonderen zich over zijn gedrag, zijn overtuigingen.

Misschien was Burton wel gewoon een katholiek, zo wordt op de laatste bladzijden gesuggereerd. In zijn huis liet hij een kapel bouwen. Alleen - hij kwam er zelf nooit. En als hij al bad, was het met islamitische gebeden in het Arabisch.

Kunnen we het katholicisme zo oprekken dat we van Burton een heilige maken? We hebben dan de getuigenissen nodig van de Aziaten en Afrikanen, en hun verwondering meer dan hun waarheidsliefde.

Ook wordt het moeilijk te geloven in de identiteit en de ziel van Burton. Een Afrikaan verwoordt dat als volgt: "Bwana Burton werd gedreven door djins die geen van de anderen kende en die hij ook aan niemand kon verklaren, niet aan mij, niet aan de dragers, niet aan de Baluchi's of de Banyans, niet eens aan bwana Speke. Het leven is eenvoudiger als je djins bij anderen bekend zijn."

Okee, geen ziel, maar er is wel iets typisch westers aan Burton. Westerlingen vinden het leven pas de moeite waard wanneer er wordt afgezien. Daarom gaan ze op expeditie. Alles gaat voorbij, dat wel, maar wel in lijden. Dat zou je de katholieke stempel van het westerse expansionisme kunnen noemen. Althans, van de inspirerende voorposten van dat expansionisme.




woensdag 30 juli 2014

I am Spartacus

De film Spartacus is van Kubrick. Hij dateert uit de tijd dat Kubrick nog in Hollywood werkte. Het werken als regisseur betekende voor Kubrick een desillusie, en het resultaat was dat hij Hollywood verliet en zich in Engeland vestigde met een eigen studio.

Je kunt je afvragen of de parallel van Kubrick's ervaring met die van Spartacus enige betekenis heeft.
Laten we eens aannemen van wel. Dan is het toch opmerkelijk dat Spartacus met zijn kornuiten het Romeinse Rijk wilde verlaten via Brundisium. Dat lukte uiteindelijk niet omdat hij voor aankomst aldaar werd vastgeknepen tussen twee Romeinse legers, van Pompeius en Lucullus. Zodoende was Spartacus gedwongen om cum suis naar Rome te gaan, zodat hij onderweg werd opgewacht door de legers van Crassus.

Kubrick is het dus wel gelukt om te ontsnappen aan zijn slavernij, waar het Spartacus niet gelukt was.

Zitten we wel met het probleem hoe wij de film moeten beoordelen. Het is toch niet erg aannemelijk dat de film alleen een desillusie is, het zal toch deels wel een product zijn, en ook herkenbaar als zodanig, van Kubrick en van acteur/producent Kirk Douglas.

Een aanknopingspunt is misschien gelegen in de ervaring van de dood. Spartacus en zijn vrienden zijn niet bang voor de dood omdat die een bevrijding betekent van een onmenselijk leven. In die zin is de opstand van Spartacus geslaagd, precies ook doordat ze eindigen aan het kruis aan de Via Appia. Het wordt extra mooi doordat de vrouw van Spartacus met zijn kind wel weet te ontsnappen, zodat ook in de toekomst de herinnering aan de opstand levend kan worden gehouden.

Dit correspondeert met de Romeinse ambitie om niet alleen Spartacus te doden maar ook nog eens de 'legende van Spartacus'. Welnu, dit is onmogelijk, omdat het verhaal altijd weer als spookbeeld kan opduiken, precies zoals de opstand zelf wellicht een herinnering aan spookbeeld Hannibal was.

Tegelijk kun je zeggen dat de Romeinse legers het spookbeeld voor Spartacus waren. Hij kon wel enkele legers verslaan, maar steeds stond er een nieuw leger klaar om hem te bestrijden.

Legers die elkaars spookbeeld zijn, en de bestaande groepen (slaven, soldaten) meetrekken in de dynamiek van spookbeelden.

Wat heeft die spokologie met Kubrick te maken? Misschien drukt die logica de ervaring uit van iemand die besluit te zeggen: ik ben Spartacus. Ik ben een slaaf die een uitweg zoekt, en ben bereid de dood te riskeren om de meester te slim af te zijn. Daardoor ben ik de meester van de meester.

We raken kortom met Kubrick terecht in de dialectiek van meester en slaaf. De een als spookbeeld van de ander. Die dialectiek vind je makkelijk terug in Lolita, Dr. Strangelove, Clockwork Orange en Odyssey, om maar een paar films te noemen.

De sleutelscène is de rivaliteit tussen Spartacus en Antoninus, waarbij besloten is dat de overwinnaar van beiden zal worden gekruisigd. Het wordt een fel gevecht, omdat geen van beiden de ander gunt dat hij wordt gekruisigd. Gevecht als vriendendienst, broederliefde, eerbetoon. En beiden zijn Spartacus, natuurlijk.




woensdag 23 juli 2014

Houellebecq De kaart en het gebied

Bij de naam Houellebecq moest ik vaak denken aan levenskunst. Maarten van Buuren en Joep Dohmen hebben inderdaad wel een collegereeks gegeven waarin Houellebecq - dacht ik - een centrale plaats inneemt.

Nu ik De kaart en het gebied heb gelezen, geloof ik niet meer dat je Houellebecq kunt beschouwen als levenskunstenaar. Ook diverse uitspraken van deze schrijver wijzen in een andere richting. Bij levenskunst staat het leven buiten de boeken en buiten de kunst centraal. Maar Houellebecq gelooft niet dat dit leven op zichzelf enige betekenis heeft of kan krijgen. Het hoofdthema van zijn boek is de vergankelijkheid van alles. Daarbij komt een gevoel van nostalgie, wanneer je terugkijkt op je leven, of op het leven bijvoorbeeld van Europa of de wereld.

Een merkwaardige invulling van het leven is er een waarin je alleen maar boeken leest en schrijft. Dit lijkt helemaal haaks te staan op de levenskunst, want de voorvechters van de levenskunst hebben altijd een vitalistische uitstraling en zien boeken eerder als een noodzakelijk kwaad, hooguit een middel dat je helpt je leven beter te leven. Toch is zo'n leven dat gevuld wordt met lezen en schrijven de keuze van Houellebecq. Zelfs de vriendschap is niet zijn ding. In de roman voelt hoofdpersoon Jed Martin dat de schrijver Houellebecq zijn vriend zou kunnen worden. Maar voor het zover is wordt Houellebecq (in zijn roman) afgemaakt door een of andere malloot. Jed resteert aan het einde niets anders dan afscheid nemen 'van een bestaan waaraan hij zich nooit helemaal had overgegeven'.

Is dat gebeurd, dan is het woord aan de planten, de planten die de ruïnes overwoekeren, die de plaatsen in bezit nemen die voor de mens betekenisvol waren. Zo je dus al een levenskunst zou kunnen uittekenen, dan zou het de levenskunst van planten zijn. Niet bepaald een spannend leven, want alles komt tot rust.

zaterdag 19 juli 2014

Onschuld van Chevalier

Om diverse redenen is Onschuld van Tracy Chevalier een diepgaand boek. Rond de soapistische wederwaardigheden van de personages fungeren de dichter Blake en de Franse revolutie als katalyserende achtergronden.

Blake schrijft in Londen zijn Songs of Innocence en zijn Songs of Experience. Inderdaad, ook weer een tweetal. De groteske logica van tweetallen die elkaar weerspiegelen, elkaars contrast vormen en samen in balans zijn domineert deze roman. Tussen de tegenstellingen zou zoiets kunnen bestaan als een 'wij', zoals de jonge dorpse Jem tegen het stadse meisje Maggie zegt. Het boek eindigt met dit romantische vervullingsvisioen, dat in de slotregel ook nog wordt uitgetekend als een vriendelijk ruziën. Een wij aan het hek, plaats van scheiding, doorgang en verbinding.

Niets verhoedt dat er ook nog een politieke inzet bestaat in de verhoudingen der jongeren en de gedichten van Blake. De helden weigeren een verklaring te ondertekenen van loyaliteit aan de Engelse koning en van protest tegen de Franse revolutie. Daarmee zijn ze niet meteen sympathisanten van die revolutie. Daarvoor is die laatste te afwezig, betekenisvol afwezig. Zo ontstaat er à la Lyotard een verschil tussen het enthousiasme en het respect zoals belichaamd in de Duitse houding jegens de Franse revolutie.

Nu zou je, die laatste lijn volgend, moeten kunnen zien hoe de esthetica van het sublieme (das Erhabene) schuilgaat in de verhoudingen der personages. Nu, dat lijkt inderdaad het geval te zijn. Maisie en Rosie raken tegen hun wil zwanger en komen daardoor buiten de gemeenschap terecht, aangewezen op de voorlopige en voorwaardelijke zorg van vrienden en verwanten. Ook tussen dorp en grote stad heerst een verhouding die allesbehalve een romantische volheid vertegenwoordigt. Het stadsmeisje Maggie reist tussen die werelden heen en weer, zoals de Kantiaanse schipper reist door zijn architectonische archipel. Het is geen 'never the twain shall meet',  maar ook geen harmonische verzoening. Het blijft een vluchtige, voorlopige en vooral moeilijke verhouding tussen twee onmogelijke werelden, dwingend tot emigratie en remigratie.